WorkplaceCodex
Change Management

Perspectieven

Wat kan Change Management bijdragen, en waar schieten gangbare benaderingen tekort? Deze pagina bespreekt zes spanningen. Bij elk staan beide kanten, een praktisch gevolg en een vraag om zelf te stellen.

Uitspraken met een bronverwijzing komen uit die bron. De overige reflecties zijn redactionele uitgangspunten van de Codex.

Wat het vakgebied kan bijdragen

Change Management kan helpen om een verandering te verbinden met het werk zoals het echt gebeurt: wie er iets anders gaat doen, wat daarvoor nodig is en hoe je merkt of het werkt. Gangbare benaderingen schieten vaak tekort als ze één kant van een spanning absoluut maken, bijvoorbeeld alleen plannen of alleen overtuigen. De spanningen hieronder zijn geen problemen die je eenmalig oplost. Ze vragen per situatie een afweging, en die afweging verschuift naarmate de verandering vordert.

Zes spanningen

  1. 1. Geplande richting en verandering die ontstaat

    Een plan geeft richting, een gedeelde planning en houvast. Tegelijk ontstaat veel verandering tijdens het werk, via veel kleine lokale aanpassingen. Weick en Quinn beschrijven dit als het verschil tussen episodische en continue verandering. (Weick & Quinn (1999), S20)

    In de praktijk: Leg vast wat gedeeld moet zijn, zoals doelen en grenzen, en laat teams expliciet ruimte om de rest aan te passen.

    Vraag: Welke delen van het plan moeten overal gelden, en welke mogen per team verschillen?

  2. 2. Individueel gedrag en organisatorische omstandigheden

    Motivatie doet ertoe. Maar het COM-B-model ziet gedrag als uitkomst van capability, opportunity en motivation samen. Als mensen tijd, middelen, bevoegdheid of werkbare technologie missen, lost meer overtuigen het probleem niet op. (Michie et al. (2011), S01)

    In de praktijk: Controleer de omstandigheden voordat je communicatie of training plant.

    Vraag: Als iedereen dit morgen zou willen, wat houdt hen dan nog tegen?

  3. 3. Participatie en macht

    Mensen betrekken verbetert het ontwerp en het draagvlak. Participatie betekent alleen iets als de geboden invloed past bij de werkelijke beslisruimte. Vertegenwoordiging doet ertoe en meningsverschil hoort bij het proces, het is geen mislukking ervan.

    In de praktijk: Zeg vooraf wat nog open ligt, wat vastligt en wie besluit.

    Vraag: Wat kunnen deelnemers werkelijk veranderen, en wie zit niet aan tafel?

  4. 4. Weerstand en informatie

    Bezwaren kunnen verlies, belangenconflicten of een slecht ontwerp zichtbaar maken. Niet elk bezwaar is onwil en niet elk bezwaar is doorslaggevend.

    In de praktijk: Leg bezwaren vast, orden ze naar waar ze op wijzen en besluit open wat je met elk bezwaar doet.

    Vraag: Wat zouden we veranderen als dit bezwaar terecht blijkt?

  5. 5. Ingebruikname en waarde

    Gebruik van een nieuw systeem of een nieuwe werkwijze kan stijgen zonder betere prestaties of een betere werkervaring. Ingebruikname is een stap, niet de uitkomst.

    In de praktijk: Meet gebruik en resultaat apart, en kijk ook naar werkdruk en onbedoelde effecten.

    Vraag: Waaraan zien we dat meer gebruik werkelijk helpt?

  6. 6. Tijdelijk programma en blijvend functioneren

    Een veranderprogramma brengt voor een periode focus en extra capaciteit. Als het stopt, moet de nieuwe werkwijze overeind blijven in de dagelijkse uitvoering.

    In de praktijk: Plan de overdracht vroeg: een eigenaar, routines, middelen en een evaluatiemoment.

    Vraag: Wie zorgt hiervoor een jaar nadat het programma is gestopt?

Soorten hulpmiddelen

Nilsen onderscheidt soorten theorieën, modellen en kaders naar hun doel. Hieronder een vereenvoudigde weergave. Het zijn verschillende functies, geen ranglijst. (Nilsen (2015), S21)

SoortFunctie
ProcesmodelOrdent het werk in stappen of fases
Verklarend modelHelpt onderzoeken waarom iets wel of niet gebeurt
Raamwerk voor belemmeringenOrdent de omstandigheden die helpen of hinderen
EvaluatiekaderOndersteunt beoordelen of de verandering werkte

Commerciële modellen

Modellen zoals ADKAR en de aanpak van Kotter zijn invloedrijke referenties in de praktijk. Ze hebben veel organisaties een gedeelde taal gegeven. De Codex verwijst ernaar waar dat helpt, maar neemt geen betaalde instrumenten over, biedt geen certificering en is niet afhankelijk van één leverancier. De Codex kiest een eigen benadering en maakt zichtbaar waarop die steunt.

Vragen vóór je een aanpak kiest

  • Welk probleem lossen we op?
  • Wiens resultaat verbeteren we?
  • Welke beslisruimte is er?
  • Welke lokale belemmering weegt het zwaarst?
  • Welk bewijs gebruiken we?
  • Wie blijft daarna verantwoordelijk?